Wanneer niemand er iets over wil zeggen, weet je meteen dat het niet goed zit. Er zit, zo lijkt het ons, iets niet goed met de huidige voorkenniszaken: de Veer Palthe Voûte (VPV) affaire en de nieuwe zaak Willem Burgers, die sinds dinsdag speelt.
Sinds de operaties Clickfonds en de voorkennisaffaire rond handel in Wessanen is justitie weinig opgeschoten. Clickfonds ging spectaculair van start en luidde het einde in van een bepaalde manier van handelen.
Niet alleen verhuisde de beurs van vloer naar scherm, ook Yab Yum verdween als handelsvloer. In financiële kringen is de consensus dat Clickfonds een heilzame werking had, ondanks dat het nauwelijks tot formele veroordelingen is gekomen.
Robeco-alumni
Het tijdperk waarin alles kon, is voorbij. Gewetens worden vervangen door regels en in een steeds meer complex systeem is dat een begrijpelijke ontwikkeling. Sindsdien is in korte tijd veel veranderd. De bullmarket maakte plaats voor de beer, regelgeving werd verzwaard en verscherpt. Compliance en procedures zijn meer dan ooit onderdeel geworden van de dagelijkse bezigheden.
Nu wordt de sector opeens verrast door twee affaires die onderling sterk verschillen, maar toch op elkaar lijken. Zowel de partners van VPV als Burgers komen uit hetzelfde nest, namelijk Robeco, waar Jan Voûte, hoofdverdachte in de VPV-zaak, algemeen directeur was tot hij Veer Palthe Voûte oprichtte.
Zoals zoveel Robeco-alumni staan Voûte en Burgers goed bekend. Voûte maakte een succes van zijn firma, die hij verkocht aan Dresdner Bank, waarna hij de transactie van zijn leven deed door Dordtsche Petroleum en de andere holdings van Koninklijke Olie-aandelen van de beurs te halen.
Burgers maakte van een klein small cap-fonds een leidende speler met een quasi monopolie op de markt voor kleinere aandelen in dit land. Binnen één maand tijd werd de naam van VPV besmeurd en verdween Burgers als directeur van Kempen Capital Management en beheerder van het Orange Fund.
Foute flexibiliteit
Wij namen contact op met Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Openbaar Ministerie (OM), die bij de twee zaken betrokken zijn, maar kregen geen commentaar. Burgers en VPV wilden ook verder geen reactie geven. Wel wil VPV desgevraagd kwijt dat de firma de indruk die gewekt wordt in twee artikelen in NRC Handelsblad onjuist acht.
Waarschijnlijk is dat een understatement. In het tweede NRC-artikel gaat het hoofdzakelijk om een sfeerschets van de firma VPV gebaseerd op citaten uit het verhoor van partner Voûte. Hij heeft het over een “losse, informele sfeer” en een “flexibele instelling” jegens klanten. Dit soort citaten kan helpen veel duidelijk te maken, maar het kan ook averechts werken. Wie goed bekend is met de firma VPV is hierdoor niet verrast.
Een “losse, informele sfeer” en een “flexibele instelling” zijn normaal voor een kleine vermogensbeheerder met een platte structuur en een klein aantal vermogende klanten, zetelend in een klein grachtenpand in Gouda. Zo wordt Voûte ook verweten via VPV via de speciaal voor belegging in de Olie-holdings opgerichte vennootschappen een groot deel van het volume van de aandelen van de holdings voor zijn rekening te hebben genomen.
Wie vertrouwt is met de vaak mindere liquiditeit van deze fondsen en de relatieve omvang van de twee samen met Theodoor Gilissen beheerde beleggingsvehikels, kan ook concluderen dat de firma een markt onderhield en dat Voûte ook zelf en voor zijn klanten belegde in dezelfde waarden die zijn firma aanprees. In het NRC-artikel helpen bovenstaande adjectieven echter een sfeer te suggereren die degenen, die bekend zijn met VPV, niet kennen.
Bij voorbaat verdacht?
In Angelsaksische markten wordt eerder prijzend gesproken over beleggers, die zelf meedoen in hun eigen fondsen. Dat is in Nederland een nu blijkbaar bij voorbaat verdachte praktijk, terwijl in de VS de openbare aanklager van New York, Eliot Spitzer, de zakenbankiers juist verwijt aandelen aan het publiek gesleten te hebben, waar de eigen bankiers en analisten niet in bleken te geloven.
Nergens in de artikelen wordt overigens gesuggereerd dat Voûte en zijn partners gehandeld hebben ten koste van hun cliënten, noch wordt aangetoond dat de koers van de holdings steeg ten tijde van het bekend worden van de beslissing van het ministerie van Financiën, die het groene licht gaf vanaf 2 december 1999.
Het OM verwijt VPV handel vanaf begin september, terwijl de AFM pas na drie jaar aangifte deed, waarbij het naar verluidt gaat over een kortere periode voorafgaande aan de beslissing van Financiën. Volgens anderen was AFM voorzitter Arthur Doctors van Leeuwen geheel op de hoogte van de gang van zaken en zou hij ook in die zin een getuigenis hebben afgelegd.
Kortom, de zaak is, wat de autoriteiten betreft, al niet eenvoudig. Ten eerste is in het geheel niet duidelijk of het hier wel om een op hol geslagen effectenhuis gaat. VPV staat bekend als een rustige club value-beleggers en niet als snelle jongens. Hetzelfde geldt overigens voor Burgers.
Bewijzen
Wie nog iets verder doordenkt, kan zich ook afvragen of Voûte, als bestuurder van de voornaamste beleggingsvehikels in Olie-holdings en als jarenlange pleiter voor de opheffing van deze holdings, zich niet goed bewust was van zijn positie en daarom, als hij misbruik had willen maken, dat heel anders had kunnen doen.
Hetzelfde geldt voor Burgers, die zich als de peetvader van de Nederlandse small capmarkt, met een keur aan 5%-belangen, jarenlang bij alle pieken en dalen van zijn bedrijven betrokken is geweest. Tenzij hiervoor bewijzen boven tafel komen, is er vooralsnog geen serieuze aanwijzing dat beide heren zich op welke wijze dan ook verrijkt hebben, of misbruik hebben gemaakt van hun positie.
Lezers van de nieuwsbrief van VPV kenden Voûte’s enthousiasme over de belegging in de Olie-holdings. Lezers van het Financieele Dagblad konden op 9 oktober 1999 uitgebreid lezen wat Voûte van die holdings vond. Zo kocht en verkocht hij aandelen van zijn geliefde maatschappijen, afhankelijk van de onderwaardering.
Of hij daarbij de wet overtrad, moet nog blijken. Dat de reputatie van de firma en van Voûte door de gevolgen van de grootscheepse actie van justitie en door de oriënterende berichten in de pers beschadigd wordt, lijkt duidelijk. Of het maatschappelijk belang hiermee wordt gediend, is nog maar de vraag.
One-on-one
Burgers wordt beticht van handel met voorkennis in aandelen Landis en Ring!Rosa. Kempen geeft aan dat bij de Landis-affaire de koers door Burgers is gesteund, ten gunste van het Orange Fund, waarbij handel met voorkennis wordt geconstateerd. Koersen steunen mag niet, maar het wordt interessant wanneer het debat zich straks hopelijk verplaatst naar de rol van de grote banken bij emissies.
Iedereen weet dat banken via hun handelstafels hun emissies steunen, of koersen drukken wanneer dat zo uitkomt. In het geval van Ring!Rosa wordt gewag gemaakt van verkoop van aandelen na een presentatie door de directie van Ring!Rosa tijdens een zogenaamde one-on-one. Wij schreven gisteren in Uitgeburgerd dat, als dit de maatstaf wordt, iedere beheerder die een one-on-one doet voortaan verdacht is.
Na de one-on-one (de term refereert aan een presentatie die niet in een ontbijt-of lunchzaal plaatsvindt met meerdere beleggers) kan immers of gekocht worden, of verkocht worden, of de positie kan aangehouden worden. Ook in dat geval houdt dat een beslissing in en kan voortaan gesproken worden van voorkennis. Beleggers zoals Burgers maken iedere week one-on-ones mee en ze worden er dagelijks voor uitgenodigd.
Dat wil nog niet zeggen dat daarbij sprake is van voorkennis, zeker wanneer verkocht wordt. Waarom doen die bedrijven namelijk al die ontbijt-en lunchpresentaties, voorafgegaan of gevolgd door one-on-ones? Om hun aandelen aan de man te brengen. Met andere woorden, om de fondsbeheerders te laten kopen. Burgers verkocht juist zijn positie, dat wil zeggen voor het Orange Fund, voor 60 000 euro.
Doel van de regel
We vragen ons dan ook af of, in de huidige situatie, er wel goed rekening wordt gehouden met bestaande praktijken, niet alleen in Nederland maar ook in het buitenland. Het doel van de regelgeving is een gelijk speelveld te creëren en vooral de belegger te beschermen tegen misbruik door ingewijden, een praktijk die helaas maar al te vaak voorkomt.
Of deze opzet in de bovenstaande gevallen slaagt, is ons nog niet duidelijk. Wel is nu al te constateren dat twee goede bekend staande pijlers van het beleggersvak, met een reputatie waar jarenlang aan is gewerkt, het slachtoffer dreigen te worden van experimenten op het gebied van toepassing van regels.
Waar dit toe kan leiden, blijkt dezer dagen in Frankrijk. Daar speelt nog altijd de affaire van de mislukte aanval op de Société Générale, die, na jaren vooronderzoek en na het overlijden van een aantal beklaagden, nog altijd haar beslag niet heeft gekregen. Het gaat om winsten gemaakt met voorkennis in een context die typerend is voor het Frankrijk in de Mitterrand-periode.
Onder de verdachten bevindt zich een financier met een uitstekende reputatie. Zijn naam is George Soros. De Société Générale-affaire dateert uit 1988. Het Parijse OM geeft toe dat het vooronderzoek wat lang heeft geduurd. De uitspraak wordt volgend jaar verwacht.